085-0668825 (dagelijks 8.00 - 22.00u)

 

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 1 juni 2004, NJ 2004, 438 en HR 21 december 2004, NJ 2005, 83) is het voor een veroordeling op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 niet noodzakelijk dat er concreet vastgesteld is dat betrokkene niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Beslissend is of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte onder een zodanige invloed van de desbetreffende stof verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Het is niet noodzakelijk dat de bestuurder daadwerkelijk het verkeer in gevaar heeft gebracht of afwijkend rijgedrag of uiterlijke kenmerken vertoonde, waaruit de conclusie kon worden getrokken dat hij niet tot besturen in staat was. Voor de vraag of artikel 8, eerste lid, is overtreden, is slechts van belang dat de betrokken bestuurder in zijn bloed een stof aanwezig heeft die de rijvaardigheid kan verminderen en vaststaat dat hij voorafgaand aan de overtreding op de hoogte was dat het gebruik van die stof de rijvaardigheid negatief kan beïnvloeden. Dat betekent dat bij hogere concentraties van drugs in het bloed het bewijs in geval van overtreding van artikel 8, eerste lid, eenvoudiger te leveren is dan bij zeer lagen concentraties van drugs.