085-0668825 (dagelijks 8.00 - 22.00u)

 

Het rijbewijs kan door de politie ook worden ingevorderd op grond van het bepaalde in artikel 130 WVW 1994.Dit is het geval als de houder van een rijbewijs vermoedelijk onvoldoende rijvaardig dan wel onvoldoende lichamelijk of geestelijk geschikt is. Dit is onder meer het geval, wanneer de bestuurder deelnemer is aan het alcoholslotprogramma en hij het misdrijf van artikel 8, lid 4, aanhef en onder b, WVW 1994 of artikel 9, lid 9 WVW 1994 begaat.

Bij situaties van samenloop van de bestuursrechtelijke invordering en de strafrechtelijke invordering bij deelname aan het alcoholslotprogramma, bijvoorbeeld als het AAG meer dan 350 µg/l is, stuurt de politie het rijbewijs altijd aan het OM. Buiten de gevallen van de strafrechtelijke invordering stuurt de politie het rijbewijs direct naar het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Binnen het OM is het van belang dat de reden en de gronden in het proces-verbaal van invordering worden vergeleken met de grond van invordering die de politie in het rijbewijzenregister heeft opgenomen. Het kan namelijk voorkomen dat de politie in het proces-verbaal als grond voor invordering ten onrechte artikel 164 WVW noemt, doch het rijbewijs op grond van artikel 130 WVW aan het CBR heeft gestuurd.

De keuze voor een invordering dient door de politie echter ondubbelzinnig te worden gemaakt. Zodra daarvan uit de stukken niet blijkt, dient het (regio)parket hierover met het CBR (Divisie Vorderingen) af te stemmen.

Wanneer het rijbewijs is ingevorderd op grond van het bepaalde in artikel 130 WVW 1994, kan de officier van justitie niet tot inhouding overgaan en geldt de aftrek van de periode van invordering respectievelijk inhouding ex artikel 179, lid 6 WVW 1994 niet.